Wederzijds vertrouwen maakt plaats voor juridisch argwaan

Door Carina van Os

 

Ierland hoeft LM mogelijk niet over te leveren aan Polen vanwege aantasting van de rechtsstaat in laatstgenoemd land. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft prejudiciële vragen beantwoord die waren gesteld door de Ierse High Court. Het arrest LM is interessant omdat het Hof handvatten geeft voor hoe Europese lidstaten zouden kunnen omgaan met Europese aanhoudingsbevelen (EAB’s) vanuit een lidstaat waar de rechtsstaat aangetast wordt. In dit geval gaat het om Polen, maar het is niet ondenkbaar dat dit ook voor de samenwerking met Hongarije van belang gaat zijn. De rechterlijke macht ondergaat daar immers een vergelijkbare aantasting.

 

Normaalgesproken worden uitgevaardigde EAB’s ten uitvoer gelegd op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning en bepalingen uit Kaderbesluit 2002/584 (het kaderbesluit). Het beginsel van wederzijdse erkenning bestaat voornamelijk uit vertrouwen tussen de lidstaten, en de toepassing van het beginsel is niet eenvoudig op te schorten.

 

In casu hebben Poolse rechterlijke instanties drie EAB’s uitgevaardigd om LM strafrechtelijk te kunnen vervolgen. LM heeft echter bij de High Court aangegeven het oneens te zijn met zijn overlevering aan Poolse autoriteiten, omdat hij met die overlevering een risico zou lopen op rechtsweigering. De hoofdoorzaak van dit gevaar ligt volgens hem in de recente hervormingen van de rechterlijke macht in Polen, die maken dat LM het recht op een eerlijk proces ontnomen wordt. De recente hervormingen zouden het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten aantasten, en daarmee het functioneren van het systeem van EAB’s. LM beroept zich voornamelijk op het met redenen omkleed voorstel van de Commissie van afgelopen december, welke is gebaseerd op artikel 7 lid 1 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

 

De prejudiciële vragen van de Ierse rechter komen er op neer dat hij wil weten of de uitvoerende rechterlijke autoriteit als hij bekend is met informatie die erop duiden dat er een werkelijk gevaar van schending van het “grondrecht op een eerlijk proces is wegens structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die autoriteit concreet en nauwkeurig moet nagaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat LM een dergelijk gevaar zal lopen bij overlevering aan die laatste staat”.

 

Het Hof benadrukt het fundamentele karakter van de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning. Het Hof geeft echter ook aan dat deze beginselen in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden beperkt. Ook benadrukt het Hof het belang van de onafhankelijkheid van de rechters binnen het grondrecht op een eerlijk proces. Verder geeft het Hof aan dat het systeem van EAB’s met name is gebaseerd op, zoals eerder genoemd, vertrouwen en dat dit systeem er dan ook vanuit gaat dat de andere lidstaten een effectieve rechtsbescherming kunnen bieden, inclusief onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters. Als mogelijkerwijs niet aan deze rechtsbescherming kan worden voldaan, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in casu die van Ierland, af kunnen zien van het voltooien van de EAB’s. Dit kan wanneer de persoon tot wie het aanhoudingsbevel gericht is, een werkelijk gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn recht op een eerlijk proces zal worden geschonden. De uitvoerende rechterlijke autoriteit zal dan ook moeten beoordelen of LM het genoemde  gevaar loopt.

 

Het Hof geeft twee stappen waarmee beoordeeld dient te worden of af kan worden gezien van het gevolg geven aan een EAB. De eerste stap is een meer algemene test over het functioneren van rechterlijke instanties in de andere, uitvaardigende lidstaat, met het oog op de onafhankelijkheid van deze rechterlijke instanties en het recht op een eerlijk proces. In dit geval is hierbij het met redenen omkleed voorstel van de Commissie op basis van artikel 7 lid 1 VWEU in het bijzonder relevant. De tweede stap betreft een toetsing van het werkelijke gevaar in het specifieke individuele geval, in dit geval het gevaar voor LM. Het Hof benoemt hierbij dat deze tweede stap ook uitgevoerd dient te worden wanneer er een met redenen omkleed voorstel is opgesteld door de Commissie. Uit artikel 10 van het kaderbesluit blijkt namelijk dat opschorting van het systeem van EAB’s alleen kan als de Europese Raad een schending van de in artikel 2 VEU genoemde beginselen heeft vastgesteld en geconstateerd via artikel 7 leden 2 en 3 VEU. Het aanpassen van het systeemvan EAB’s is dus alleen weggelegd voor de Europese Raad.

 

Om tot de slotsom te komen: in dit arrest wordt duidelijk dat een rechterlijke instantie na een toets van twee stappen kan beslissen geen gevolg te geven aan EAB’s van een instantie uit een andere lidstaat. Om het systeem van EAB’s aan te passen is echter de Europese Raad (en dus unanimiteit naar artikel 7 lid 2 VEU) nodig, waar in dit geval geen sprake van is. Per individu zal dus opnieuw aan de toets moeten worden voldaan alvorens een rechterlijke instantie geen gevolg hoeft te geven aan EAB’s uit een andere lidstaat.